De zeilchartervaart in Nederland

Artikel - De zeilchartervaart in Nederland

De zeilchartervaart in Nederland

Johan Schoppert

Iedereen kent ze. De prachtige grote schepen, die historie uitstralen en daarnaast door hun afmeting indrukwekkend zijn. De gemiddelde watersporter met zijn motor- of zeiljacht blijft in principe liever een beetje uit hun buurt, want zou het tot een aanvaring komen, dan is de verliezer vooraf al bekend…

Het zeilen met betalende passagiers, is aan het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw gestart en heeft in de loop der jaren door bemoeienis van de overheid en eisen van klanten (passagiers) een enorme professionalisering doorgemaakt.

Aan het einde van de 19e eeuw ging de scheepsbouw langzaam over van houtbouw naar ijzer- en staalbouw. Men wist nog niet goed hoe te werken met dit vreemde, zware materiaal en het lassen was nog niet uitgevonden. Er werd dus op de zelfde wijze gebouwd als men me t houten planken gewend was. Overnaads, op spanten, werden de stroken ijzer (als planken) aan elkaar geklonken.

Een zeer arbeidsintensieve klus, maar mooi dat die schepen waren!
Vrijwel elke schipper in die tijd was ook eigenaar. Rederijen waren er nog niet veel. Dat een schipper/eigenaar zijn schip graag mooier dan die van de buurman wilde hebben, laat zich natuurlijk raden. Tegenwoordig gaat functie voor vorm en worden de schepen om meer laadvermogen te creëren, zo vierkant mogelijk gebouwd.

Maar goed, tot de jaren 40 van de vorige eeuw wemelde het in Nederland nog van de schitterend gelijnde zeilende vrachtschepen als klippers, tjalken, aken en schoeners voor zowel de binnen- als buitengaatse vaart. Meneer Diesel had echter een nuttige uitvinding gedaan die de zeilerij de nek omdraaide. Een (hulp)motor inbouwen kostte echter veel geld en laadruimte. Vandaar dat de eerste jaren veel gebruik werd gemaakt van zogenaamde opduwers (een klein duwbootje met dieselmotortje van een pk of 10) of zijschroeven (een motortje op het voordek met een lange ophaalbare schroefas die als er gezeild werd binnenboord werd gehaald en in het gangboord lag).

De komst van -als motorschip ontworpen- vrachtschepen was niet meer te stuiten en de zeilvaart trok aan het kortste eind. De schaalvergroting in de vrachtvaart hielp ook niet mee. In de jaren 50 kon je met een 150 – 200 ton schip nog meekomen, in de jaren 60 viel er onder de 300 ton laadvermogen geen droog brood meer te verdienen. De schepen werden (en worden) alsmaar groter en groter. Ombouwen tot motorschip, woonschip of sloop bleef voor de zeilschepen nog over als enige optie. En het slopen van deze prachtige schepen is helaas vaak gebeurd…. Honderden stukjes fraai erfgoed zijn onder de slopershamer gegaan en omgesmolten tot… zeg het maar.
Maar godzijdank niet allemaal!

Begin jaren zeventig lag Nederland nog bezaaid met werkloze, soms gezonken roestbakken. Hun fraaie vormen waren ondanks de aftakeling nog steeds zichtbaar en bepaalde enthousiastelingen zagen er heil in, de uitgevaren wrakken met bloed, zweet en tranen weer aan het zeilen te krijgen. Veelal studenten met een niet al te grote beurs, zonder ervaring maar met voldoende energie.

Vaak met advies van oude schippers en informatie uit boeken en van oude foto’s, werd menig klipper of tjalk weer getuigd. Daarnaast moesten oude motoren na jaren van stilstand weer aan de gang worden geholpen, moesten er nieuwe stukken in het schip worden gelast, masten en zeilen gemaakt worden etc.. Dat hiervoor de nodige pecunia nodig zijn, laat zich raden en aangezien er op zo’n oud vrachtschip ruimte genoeg is, passen er wel een paar bedjes in. De zeilchartervaart was geboren.

Onze overheid kneep de eerste 10 jaar nog een oogje dicht en liet de langharige hippies met hun vieze broeken maar een beetje aanmodderen met hun oude scheepjes. Technisch deugde er vaak niet veel aan de schepen. Oude motoren waren niet betrouwbaar, zeilen woeien uit hun “lijken” en de passagiers lagen op provisorisch getimmerde bedden, kriskras door het voormalige vrachtruim. Aangezien er toch betaald werd door de passagiers werd en het dus een commerciële bedrijfstak begon te worden, moest de overheid wel ingrijpen en werden er eisen aan de schepen en bemanning gesteld. Periodieke veiligheidskeuringen, gediplomeerde bemanningen, brandwerende hutten, vluchtwegen, allemaal eisen die lastig toepasbaar zijn zonder het authentieke karakter van zo’n schip schade toe te brengen.
Daarnaast zijn de huidige passagiers behoorlijk veeleisender dan voorheen. Comfortabele en veilige zitkuipen aan dek, 2-persoons hutten met eigen douche en toilet, centrale verwarming, bar met tapinstallatie, spartaans is het allang niet meer. Er zijn zelf zeilschepen met bruidssuites en jacuzzi’s.

De oude zeilvrachtschipper die zwoegend zijn schip vooruit zeulde als het windje tegenstond, zou zich omdraaien in zijn graf als hij wist wat zijn schip nu voor functie heeft.


Een professionele vorm van passagiersvaart, uitgevoerd door hardwerkende enthousiastelingen op een schip van 100-120 jaar oud, dat alles heeft meegemaakt. Denkt u daar maar eens aan als er weer eens zo’n grote bak voor mag gaan in de sluis…

Facebook Comments "De zeilchartervaart in Nederland"